A.26 Gedragsfunctieanalyse-GFA
Herkomst/bron: Krab e.a. uit: De Vries & De Vries (2016).
Toelichting: De Gedragsfunctieanalyse is een hulpmiddel bij de fase van waarnemen en bij observatie. De GFA kan ingezet worden om gedrag van een leerling binnen de groep te analyseren. Het gaat uit van een behavioristische visie op gedragsproblemen en dit houdt in dat alle gedrag aangeleerd, dus ook weer afgeleerd kan worden. Hoewel dit enigszins kort door de bocht is gesteld kan dit GFA een handig middel zijn om de aanleiding tot specifiek gedrag of de directe gevolgen van negatief of lastig gedrag te onderzoeken. Het versterkende effect (de winst) van de reacties van anderen kan ertoe leiden dat de leerling dit gedrag zal herhalen. Zo kan een instemmende reactie van een groepje vriendjes een voldoende reden zijn om het negatieve gedrag (bezien vanuit de leraar) nog eens te vertonen. Reacties van vriendjes kunnen zo een versterkende werking hebben, zodat de leerling minder de neiging vertoont zich (nog minder als voorheen) aan regels en afspraken te houden. Het ABC-schema nodigt de gebruikers uit om heel concreet naar waarneembare antecedenten of (indirecte) aanleidingen te zoeken binnen de alledaagse praktijk. Indirecte factoren zijn onder meer: thuis- of omgevingskenmerken, relatie leraar en leerling, groepsdruk of onderwijskenmerken. Zo zien we ruimte en een kans om de ecologische pedagogiek hieraan te koppelen. De gedragsfunctieanalyse wordt in zes fasen uitgevoerd en het liefst met alle betrokkenen.
Verwijzing naar hoofdstukken: 3.6, 5.8. (Tweede druk)
Gebruiksaanwijzing: Het team met alle betrokkenen rond de leerling bespreekt stap voor stap, fase voor fase de gedragsfunctieanalyse en vult dit formulier in.
Fase 1: Globale verkenning: Tijdens deze fase wordt informatie vastgelegd die reeds bekend is. Zo wordt de context verkend waarbinnen het gedrag zichtbaar is.
Fase 2a: Indirecte factoren: Een dergelijk analysemodel wordt binnen handelingsgericht werken vaak gebruikt om de invloed van de leerling zelf, de leraar, de groep, het onderwijs en de thuisomgeving in kaart te brengen. Bovendien wordt bepaald binnen welk beïnvloedingssfeer er kansen op aangrijpingspunten zitten.
Fase 2b: Directe factoren: Het ABC-schema. Opm.: Er is voor gekozen om de B voor de A te plaatsen, om reden dat de observator vaak eerst het gedrag van de leerling (=B) probeert vast te leggen en daarna zich realiseert welke aanleiding of aanleidingen tot dit gedrag hebben geleid. Bij A worden nu concrete, directe factoren in beschreven, liefst zo feitelijk mogelijk. Bij C noteert de observator welke concreet waargenomen reacties van de leraar, de groep en de leerling zelf er direct op het gedrag volgen.
Fase 2c: Scores sociale en emotionele competenties: De scores worden ingevuld ten aanzien van de vijf groepen sociale en emotionele competenties op een schaal van 1 tot 10. Een korte toelichting bij de vijf groepen staat in het formulier.
Fase 3: Integratief beeld, hypothese & gewenst doelgedrag: Nu wordt een voorlopige stand van zaken geïnventariseerd. Belangrijk is dat de betrokkenen hier allemaal bij betrokken zijn, zodat een breed gedeeld beeld kan worden vastgesteld. Tevens wordt in deze fase (3b) het positief doelgedrag geformuleerd. Soms zijn er meerdere doelgedragingen te benoemen, maar het is niet altijd wenselijk en haalbaar om aan meerdere doelen tegelijkertijd te werken. Tot slot wordt in deze fase met elkaar vastgesteld wat de consequenties zijn van dit doelgedrag. Dit leidt tot aanpassingen van de aanleidingen (A) tot het negatieve doelgedrag en welke respons (C) op het negatieve doelgedrag moeten we aandacht geven in het plan van aanpak?
Fase 4: Plan van aanpak: Dit uitvoeringsdeel kan de school desgewenst vervangen door hulpmiddelen, ondersteuningsplannen en formats die al succesvol binnen de school gebruikt worden. Belangrijk in dit model blijft het onderscheid tussen een plan van aanpak gericht op de leerling en een ondersteuningsplan voor de leraar. Hiermee is niet gezegd dat beiden altijd van belang zijn. Bij zowel 4a als 4b kan ‘niet van toepassing’ vermeld worden. Kern is dat heel concrete afspraken vastgelegd worden en dat aan alle aspecten van een goede uitvoering van het plan aandacht wordt besteed.
Fase 5: Uitvoeringsfase – logboek: In dit vak kunnen de betrokkenen hun aantekeningen, overpeinzingen, opmerkingen en aandachtspunten noteren.
Fase 6: Evaluatie: Met deze fase wordt de gedragsfunctieanalyse afgesloten. In sommige gevallen zal het nodig zijn opnieuw doelen te benoemen voor een volgende periode. In die gevallen hoeft niet altijd het gehele model doorlopen te worden en kan het plan vanaf fase 3b worden opgepakt.
