B.1 Gedragsmatrix

Herkomst/bron: Van Meersbergen, Fontys OSO (2012).
Toelichting: Deze matrix geeft de onderdelen voor een omschrijving van concreet waarneembaar gedrag van een leerling aan. De onderdelen zijn gebaseerd op de acht schalen van typerend gedrag van Van der Wolf en Van Beukering (2009), in combinatie met de criteria van Rutter (1985). De gedragsmatrix zet gedrag op een glijdende schaal van externaliserend gedrag naar internaliserend gedrag en biedt aan de leraar (of gedragsspecialist, mentor of interne begeleider) de mogelijkheid de ernst van het vertoonde gedrag te omschrijven. Hierdoor wordt het beter mogelijk om subjectief beoordeeld gedrag door de leraar vergelijkbaar in relatie met leeftijdgenoten/groepsgenoten en bespreekbaar te maken. Op de website zijn twee ingevulde voorbeelden te zien: gedragsmatrix 1 externaliserend gedrag en gedragsmatrix 2 met internaliserend gedrag.

Verwijzing naar hoofdstukken: 4.5, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, 5.8. (Tweede druk)

Gebruiksaanwijzing: De leraar vult de gedragsmatrix voor een specifieke leerling in (=gedragsprofiel leerling). Op basis van de gedragsmatrix wordt er een gedragsprofiel van een leerling opgesteld. De leraar zelf of de ondersteuner van deze leraar brengt de gedragsprofielen van de leerlingen in een leerlingbespreking, groepsbespreking of teamoverleg. Indien nodig wordt de ondersteuningsbehoefte van de leraar ook besproken.


Ga naar het document.


Ga naar voorbeeld 1.


Ga naar voorbeeld 2.

B.2 Kijkwijzer Ecologie van de leerling

Herkomst/bron: Van Meersbergen en Jeninga (2012;2014).

Toelichting: Deze breed samengestelde kijkwijzer, gebaseerd op de ecologische pedagogiek, geeft een overzicht van in totaal meer dan 160 factoren verdeeld over tien segmenten uit de leef-/leermilieus van de leerling. Door de inventarisatie van relevante beschermende en risicofactoren uit de omgeving van het eerste milieu (gezin/familie), het tweede milieu (school, groep, leraar) en het derde milieu (vrije tijd, clubs, buurt) wordt een gedragsanalyse vanuit de ecologie van deze leerling mogelijk. Hierna worden de doelen en de afstemming op de onderwijsbehoeften/opvoedingsbehoeften van deze leerling bepaald. Een eventueel begeleidingsplan, individueel handelingsplan of ontwikkelingsperspectief wordt in samenhang en in samenwerking met de leerling zelf, ouders en professionals uit de keten van ondersteuning opgesteld. Deze kijkwijzer maakt soms deel uit van een groeidocument.

Verwijzing naar hoofdstukken: 1.6, 3.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 5.5, 5.6. (Tweede druk)

Gebruiksaanwijzing: De leraar (of samen met de gedragsspecialist, interne begeleider, ondersteunings-/zorgcoördinator) vult de kijkwijzer voor een specifieke leerling in. Op basis van deze kijkwijzer ontstaat er overzicht en inzicht van hoe gedrag van een leerling ontstaat en mede beïnvloed wordt door de omgevingsfactoren uit de milieus van de leerling. De leraar zelf of de ondersteuner van deze leraar brengt de gedragsanalyse van de leerling in een leerlingbespreking, groepsbespreking of steun-/teamoverleg. Indien nodig worden de ondersteuningsbehoeften van de leraar ook besproken. Het overzicht van beïnvloedbare en moeilijk te beïnvloeden factoren (hulpmiddel B.11) kan naast deze kijkwijzer goed van dienst zijn.


Ga naar het document.

B.3 Aandachtspunten Interventies basaal pedagogisch handelen

Herkomst/bron: Van Meersbergen & Blonk (2011).

Toelichting: Deze voorbeelden geven een overzicht van
basaal pedagogisch handelen aan volgens een indeling van Newton et al. (2009).
De indeling komt uit de gedragstheorie waarin gesteld wordt dat gedrag via een
vaste route wordt aangeleerd, aangeboden, geoefend, gewaardeerd, beloond en kan
worden afgezwakt indien nodig. De vijf dimensies van interventies van algemeen
pedagogisch leerkrachtgedrag waarop concrete voorbeelden worden genoemd zijn:

  1. preventie;
  2. aanleren en oefenen;
  3. waarderen en
    belonen;
  4. ongewenst gedrag minimaliseren;
  5. persoonsonafhankelijk corrigeren.

Verwijzing naar hoofdstukken: 3.2, 4.2, 4.4, 4.5,
6.2.

Gebruiksaanwijzing: De leraar gaat bij zichzelf na of de
genoemde voorbeelden van interventies van basaal pedagogisch handelen bewust
worden ingezet. Eventueel kan de leraar in overleg met een ondersteuner (de
gedragsspecialist, interne begeleider, zorgcoördinator) aandachtspunten
formuleren. Indien nodig worden de ondersteuningsbehoeften van de leraar ook
besproken.


Ga naar het document.

B.4 Aandachtspunten Een goed begin van het nieuwe schooljaar

Herkomst/bron: De Vries (2012).

Toelichting: Dit werkblad geeft de top tien aan van
aandachtspunten op gebied van klassenmanagement. Dit draagt bij aan een goed
begin van het schooljaar.

Verwijzing naar hoofdstukken: 2.5.

Gebruiksaanwijzing: De leraar gaat aan het begin van het
schooljaar bij zichzelf na of de top tien bewust worden ingezet. Eventueel kan
de leraar in overleg met een ondersteuner (de gedragsspecialist, interne
begeleider, zorgcoördinator) aandachtspunten formuleren. Indien nodig worden de
ondersteuningsbehoeften van de leraar ook besproken.


Ga naar het document.

B.5 Aandachtspunten Regels en afspraken

Herkomst/bron: De Vries (2012)

Toelichting: Dit werkblad geeft de aandachtspunten aan
over de schoolbrede afstemming met betrekking tot (gedrags-)regels en afspraken.
Op schoolniveau moet duidelijk zijn wat er van leerlingen en leraren op alle
ruimten van de school (binnen en buiten het schoolgebouw) verwacht wordt. Ook
moet duidelijk zijn hoe er wordt opgetreden bij ongewenst gedrag. Dit draagt
bij aan preventie van gedragsproblemen en verhoogt het leerrendement en draagt
bij tot het welbevinden van leerlingen.

Verwijzing naar hoofdstukken: 2.7, 4.4.

Gebruiksaanwijzing: Het team gaat aan het begin van het
schooljaar na of deze aandachtspunten voor iedereen helder zijn en of deze nog
gedragen worden (geldend zijn). Ook gaat het team na of het bedoelde gedrag
voldoende concreet benoemd is en of er aanvullende regels en afspraken gemaakt
moeten worden. Een ondersteuner (de gedragsspecialist, interne begeleider,
zorgcoördinator) kan een wijziging naar aanleiding van het bespreken van de
aandachtspunten voorstellen of het team actief ondersteunen gedurende het
schooljaar.


Ga naar het document.

B.6 Aandachtspunten en richtlijnen straffen en belonen

Herkomst/bron: De Vries & Heida (2008).

Toelichting: Deze aandachtspunten dienen als richtlijn
in de situaties dat interventies naar aanleiding van specifiek leerlinggedrag
overwogen moeten worden. Is het nodig de leerlingen te straffen of te belonen
op specifiek (doel-)gedrag? Zo ja, hoe wordt dit dan op een effectieve en
rechtvaardige manier gedaan? Bij het kiezen van de gedragsinterventie worden de
aandachtspunten en richtlijnen in de drie rubrieken op hun waarde en werking
doorgenomen. Hiervoor zijn drie verschillende rubrieken gemaakt:

  1. Aan te bevelen;
  2. Niet aan te bevelen;
  3. Overwegingen bij straffen en belonen.

Verwijzing naar hoofdstukken: 2.5, 4.4.

Gebruiksaanwijzing: De leraar gaat bij zichzelf na uit of
er sprake is van een aanleiding voor het geven van straf of van een beloning? Is
de straf rechtvaardig en in verhouding met de(regel-) overtreding of verstoring
van de onderwijssituatie? Is de beloning echt verdiend en ook herkenbaar
gekoppeld aan vertoond gedrag? Het gaat om basale pedagogische interventies die
de leraar dusdanig weet in te zetten dat het doel bereikt wordt. Bij het kiezen
van de gedragsinterventie worden de aandachtspunten en richtlijnen in de drie
rubrieken (eventueel met de uitdraai van dit instrument erbij als
geheugensteuntje) nog eens doorgenomen. Ervaren leraren hebben deze
aandachtspunten en richtlijnen op een bepaald moment eigen gemaakt. Eventueel
kan de leraar in overleg met een ondersteuner (de gedragsspecialist, interne
begeleider, zorgcoördinator) tijdelijk speciale aanvullende aandachtspunten of
richtlijnen formuleren. Indien nodig worden de ondersteuningsbehoeften van de
leraar die zich richten op de uitvoering van de gekozen pedagogische
interventies bij straffen of belonen ook besproken.


Ga naar het document.

B.7 Kijkwijzer Directe Instructie Model (DIM)

Herkomst/bron: De Vries (2012).

Toelichting: De kijkwijzer geeft alle aandachtspunten op
het gebied van de fasen van het activerend directe instructiemodel (DIM).

Verwijzing naar hoofdstukken: 2.5.

Gebruiksaanwijzing: De leraar gaat bij zichzelf na of deze
aandachtspunten bewust aan bod zijn gekomen. Ook dient deze kijkwijzer als
instrument bij
consultatie
en begeleiding. Eventueel kan de leraar in overleg met een ondersteuner (de
gedragsspecialist, interne begeleider, zorgcoördinator) aanvullende
aandachtspunten formuleren. Indien nodig worden de ondersteuningsbehoeften van
de leraar ook besproken.


Ga naar het document.

B.8 Checklist Leerkrachtvaardigheden

Herkomst/bron: Hogeschool Utrecht (2011).

Toelichting: De checklist geeft alle aandachtspunten op
het gebied van passend onderwijs. Het biedt een kader voor gesprek, observatie,
groepsbezoek en reflectie. De lijst kent de volgende onderdelen:

  1. Basishouding en pedagogisch klimaat;
  2. Didactiek, instructie, begeleiding, differentiatie en feedback;
  3. Klassenmanagement;
  4. School en rol leraar binnen de school.

Verwijzing naar hoofdstukken: 3.4, 4.3, 4.4.

Gebruiksaanwijzing: De leraar gaat bij zichzelf na of deze
aandachtspunten bewust in zijn/haar lessen aan bod zijn gekomen. Ook dient deze
kijkwijzer als instrument bij
consultatie
en begeleiding. Eventueel kan de leraar in overleg met een ondersteuner (de
gedragsspecialist, interne begeleider, zorgcoördinator) aanvullende
aandachtspunten formuleren. Indien nodig worden de ondersteuningsbehoeften van
de leraar ook besproken.


Ga naar het document.

B.9 Dagelijkse GedragsRapportage (DGR)

Herkomst/bron: Van Meersbergen (2009).

Toelichting: Een dagelijks
gedragsrapport
(DGR) is een schaal waarin de leraar dagelijks de rapportage
kwijt kan over een sociale competentie van een leerling. Op een schaal van 0
tot 10 wordt aangegeven of het gedrag nooit, soms of vaak voorkomt. De schalen
zoeken bewust naar pro-sociaal of sociaal competent gedrag in de leeromgeving,
maar laten ook zien wanneer dit doelgedrag minder aanwezig is. Deze
competenties op de domeinen sociaal en emotioneel leren en werkhouding kun je
onderverdelen in vijf groepen die je uitzet op een brede band:

1 Peer relations (omgaan met de ander):
anderen complimenteren, hulp aanbieden, leeftijdgenoten uitnodigen om mee te
komen spelen, een ander helemaal laten uitpraten, samenwerken en taken
verdelen, kunnen inspelen op de reacties van anderen.

2 Self-management skills (omgaan met jezelf):
gemoedstoestand beheersen, regels opvolgen, compromissen sluiten, je geduld
kunnen bewaren, impulsen kunnen onderdrukken, uitstellen van onmiddellijke
behoefte aan aandacht, bij boosheid eerst tot tien tellen of afleiding zoeken.

3 Compliance skills (omgaan met de ander):
aanwijzingen/voorschriften opvolgen, regels opvolgen, vrije tijd passend
doorbrengen, op je beurt kunnen wachten, instemmen met een idee van een ander.

4 Assertion skills (omgaan met jezelf &
omgaan met de ander)
: je durven laten gelden, gesprek beginnen,
complimenten aannemen, leeftijdgenoten durven uitnodigen om mee te mogen
spelen, om hulp of uitleg vragen.

5 Academic skills (omgaan met werkhouding):
zelfstandig werk kunnen afmaken, luisteren naar aanwijzingen van de leraar,
leveren van prestaties/taken/werk van aanvaardbare kwaliteit, vorderingen van
eigen werk kunnen bijhouden, overzicht van de taak behouden, de aandacht kunnen
verdelen over de deeltaken van een opdracht, alternatieve taakaanpak
overdenken.

Verwijzing naar hoofdstukken: 3.5, 3.6, 4.2, 4.3,
4.6.

Gebruiksaanwijzing: De leraar maakt een keuze voor een of
meerdere doelgedragingen en houdt bij of dit gedrag die dag waarneembaar is
geweest. Het is aanbevolen om dit meerdere keren per week en enkele weken
achtereen bij te houden voor hetzelfde (doel-)gedrag van dezelfde leerling. In
een grafiek kan eenvoudig het verloop van het vertoonde gedrag zichtbaar worden
gemaakt. Dit is een instrument om data te verzamelen over gedrag. Ook is het
een hulpmiddel voor zowel de leraar als voor de leerling om met elkaar in
gesprek te gaan en het over de veranderingen van gedrag te hebben.


Ga naar het document.

B.10 Interventies typen gedragsproblemen

Herkomst/bron: De Vries, Hogeschool Utrecht (2012).

Toelichting: Dit overzicht geeft de interventies aan die
passen bij de gedragsomschrijving volgens de acht schalen van typerend gedrag
van Van der Wolf & Van Beukering (2009). De interventies zijn op een rij
gezet op de glijdende schaal van externaliserend gedrag naar internaliserend
gedrag. Deze interventies sluiten goed aan bij de gedragsmatrix (instrument
B.1).

Verwijzing naar hoofdstukken: 2.2, 3.4, 4.3, 4.4,
6.6.

Gebruiksaanwijzing: De leraar zoekt op basis van eigen
waarneming of eventueel na het invullen van de gedragsmatrix naar passende
interventies voor een specifieke leerling. Na een keuze uit de mogelijke
interventies wordt gedurende een periode de interventie uitgevoerd, consequent
toegepast en lang genoeg volgehouden. Het is nodig om gedragsveranderingen in
kwantitatieve en kwalitatieve zin te volgen en hierover data te verzamelen
(bijvoorbeeld via de dagelijkse gedragsrapportage/DGR instrument B.9 ).Na de
afgesproken periode volgt een evaluatie van de ingezette interventie(s). De
evaluatie wordt met de ondersteuner (collega, gedragsspecialist, interne
begeleider, zorgcoördinator) gehouden.


Ga naar het document.

B.11 Overzicht beïnvloedbare en moeilijk te beïnvloeden factoren

Herkomst/bron: De Vries & Heida (2008).

Toelichting: Dit overzicht geeft de beïnvloedbare en moeilijk te beïnvloeden
factoren aan zowel van binnen als van buiten de school. De factoren zijn
ondergebracht in de volgende rubrieken: kind, leraar, leefomgeving, groep,
binnen de school en buitende school. Deze lijst kan naast de kijkwijzer
ecologie van de leerling gebruikt worden. Door de inventarisatie van relevante,
al dan niet te beïnvloeden factoren uit de omgeving van deze leerling wordt een
realistische analyse mogelijk. Hierna worden de doelen en de afstemming op de
onderwijsbehoeften en/of opvoedingsbehoeften van deze leerling bepaald. Een
eventueel begeleidingsplan of individueel handelingsplan wordt in samenhang en
in samenwerking met de professionals uit de ‘keten van zorg’ opgesteld.

Verwijzing naar hoofdstukken: 2.2, 3.5, 4.2, 4.4.

Gebruiksaanwijzing: De leraar (of samen met de
gedragsspecialist, interne begeleider, zorgcoördinator) vult dit overzicht in
voor een specifieke leerling. Op basis van dit overzicht kunnen realistische
doelen worden gesteld en verwachtingen van de leerling/ouders/leraren beter op
elkaar worden afgestemd. De leraar zelf of de ondersteuner van deze leraar brengt
dit overzicht in een leerlingbespreking, groepsbespreking of teamoverleg.
Indien nodig worden de ondersteuningsbehoeften van de leraar ook besproken. De
kijkwijzer Ecologie van de leerling kan hiernaast gebruikt worden
(instrumentnummer B.2)
.


Ga naar het document.

B.12 Observatieformulier Positief Gedrag (OPG)

Herkomst/bron: Van Meersbergen (2012).

Toelichting: Het Observatieformulier
Positief Gedrag (OPG)
is
een formulier waarin de leraar per dagdeel, dagelijks en wekelijks de gegevens
noteert over waargenomen positief gedrag van een leerling. Op negen (voorbeeld-)
items met vragen rond taakgericht werken, taak-/werkhouding en pro-sociaal
gedrag in de groep/klas wordt gericht kwantitatief geobserveerd. Het tiende
item is door de leraar zelf in te vullen en het OPG kan naar eigen inzicht met
meer items uitgebreid worden. De lijst is een observatielijst met name te
gebruiken bij de factor werkhouding en taak-/werkhouding en bij het bewust
opsporen van positief en pro-sociaal gedrag van leerlingen. Dit kan goed
ingezet worden in de fase van waarnemen maar ook tijdens de fase van uitvoering
(begeleiding of speciale aanpak van ongewenst sociaal gedrag of een geringe
taak-/werkhouding).

Doelen van de
observatie zijn:

  1. bewust zoeken naar
    waarneembaar positief gedrag (gewenst, taakgericht of pro-sociaal).
  2. vergelijking van
    gedrag van leerling met zichzelf wordt gevisualiseerd, inzichtelijk en
    bespreekbaar gemaakt.
  3. positief
    gedrag wordt bij de leerling ‘uitgelokt’ of gestimuleerd vanwege de
    uitgesproken verwachting dat dit nauwkeurig wordt geobserveerd en vastgelegd.

Verwijzing naar hoofdstukken: 3.5, 3.6, 4.2, 4.3,
4.6

Gebruiksaanwijzing: De leraar maakt een keuze voor een of
meerdere doelgedragingen uit dit OPG en houdt bij of dit gedrag dat dagdeel of
die dag waarneembaar is geweest. De
observaties worden geteld of geturfd en soms daarna in percentages omgezet. In
een grafiek kan eenvoudig het verloop van het vertoonde gedrag zichtbaar worden
gemaakt (zie hieronder). OPG is een instrument om data te verzamelen over
gedrag. Ook is het een hulpmiddel voor zowel de leraar als voor de leerling om
met elkaar in gesprek te gaan en het over de veranderingen van gedrag te
hebben. Het kan worden ingezet in de fase van waarnemen en bij uitvoeren
bijvoorbeeld om een evaluatie van een begeleiding/ondersteuning op
onderwijsbehoeften in beeld te krijgen.
Betrek bij de analyse van dit OPG een mogelijk (tijdelijk) effect van
sociaal aangepast gedrag.

Figuur: visuele weergave gedrag van leerling (L. is
aantal keren op tijd aanwezig op school) over een periode van vier weken.


Ga naar het document.

B.13 Ontwikkeling van leerling met beperking volgen

Herkomst/bron: De Vries en De Vries (2016).

Toelichting: Deze monitor is in samenwerking met Heliomare-Onderwijs en de Hogeschool Utrecht opgesteld om hiermee de ontwikkeling van leerlingen met een beperking binnen de school te kunnen volgen. Tijdens dit onderzoek wordt dit hulpmiddel door de verschillende betrokkenen (leerling, ouders, leraar, interne begeleider, ambulante begeleider/ondersteuner) los van elkaar ingevuld. Op deze wijze ontstaat een breed beeld ten aanzien van hoe men de ontwikkeling van de leerling beoordeelt binnen de diverse domeinen. Het is een gezamenlijke monitor, waarin men met elkaar gaat beoordelen hoe de ontwikkeling van een leerling met een beperking binnen de school verloopt. In de praktijk kan het gebeuren dat de betrokkenen verschillende inzichten hebben en hierdoor verschillend oordelen. In dat geval kan het hulpmiddel op persoonlijke titel ingevuld worden, waarna men de scores naast elkaar kan leggen om hiermee gezamenlijk aandachtspunten te bepalen.

Verwijzing naar hoofdstukken: 2.3, 2.4, 3.3, 3.4, 3.6, 4.5. (Tweede druk)

Gebruiksaanwijzing: De volgende zeven domeinen vormen met elkaar een breed beeld van de ontwikkelingen en kunnen voor specifieke leerlingen aangevuld worden met individueel bepaalde aandachtsgebieden. Deze zeven domeinen zijn:

Onderwijsaanbod

Leerontwikkeling

Sociale relaties

Welbevinden

Participatie

Samenwerking

Balans in de groep

Elk domein wordt gescoord op een vijfpunt-schaal in twee vormen. Dit is gedaan, zodat leerlingen door de smileys in te kleuren aan kunnen geven hoe zij oordelen over dit domein. Volwassenen kunnen parallel aan deze score hun oordeel weergeven op een schaal van -2 tot +2. Punt van aandacht vanuit de gebruikers: Het is niet altijd mogelijk of wenselijk om leerlingen zelf bij deze monitor te betrekken. Anderzijds kunnen leerlingen zelf vaak zeer relevante informatie verstrekken ten aanzien van hoe zij hun eigen ontwikkeling en het onderwijs zoals dat voor hen georganiseerd is beleven. Als leerlingen gevraagd worden hun oordeel te vellen zal het taalgebruik van dit hulpmiddel aangepast en toegelicht moeten worden. Het domein balans in de groep wordt doorgaans niet door leerlingen gescoord, omdat het lastig is voor ze hierover een oordeel te kunnen vellen.


Ga naar het document.

B.14 Checklist sociaal en emotioneel leren

Herkomst/bron: De Vries en De Vries (2016).

Toelichting: Hoewel er veel programma’s in omloop zijn die zich richten op het ontwikkelen van sociale of emotionele competenties van leerlingen, is het niet altijd eenvoudig de kwaliteit hiervan te kunnen vaststellen. Het Ministerie van OCW (2014) heeft weliswaar vastgesteld welke programma’s goedgekeurd zijn, maar er verschijnen steeds weer nieuwe programma’s op de markt, die we niet eenvoudig op kwaliteit kunnen beoordelen. Mitchell (2015) heeft een inventarisatie gemaakt van overeenkomstige kenmerken van succesvolle programma’s en deze overeenkomsten vertaald in een set succesindicatoren. Hij betrok hierbij zowel interventieprogramma’s voor specifieke doelgroepen als schoolbrede programma’s voor alle leerlingen van de school in zijn onderzoek. De indicatoren die uit dit onderzoek voortvloeiden zijn in dit hulpmiddel ondergebracht.

Verwijzing naar hoofdstuk: 5.10. (Tweede druk)

Gebruiksaanwijzing: Met deze checklist kan de school de kwaliteit beoordelen van zowel een nieuw te kiezen methode als die van de huidige schoolbrede methode voor sociaal emotioneel leren of interventieprogramma’s. Hiermee kunnen eventuele onvolkomenheden in het programma aangepast of aangevuld worden, zodat de methode een beter effect zal hebben. Bij het beoordelen van programma’s die eventueel in aanmerking komen voor implementatie binnen de school, kan deze checklist uitstekend gebruikt worden om kritisch te kijken naar de kwaliteit van het programma. Eventuele zichtzendingen, informatiebrochures of promotiematerialen kunnen hiermee aan een grondig en kritisch onderzoek onderworpen worden. Het zal duidelijk zijn dat er wellicht geen methode is die op alle aspecten een ruime voldoende scoort. Toch kan de school op basis van een inventarisatie wel een gerichte keuze maken, omdat men zicht krijgt op de voor- en nadelen van de diverse programma’s.


Ga naar het document.

B.15 Formuleren ondersteuningsbehoeften leraar

Herkomst/bron: Emans & Van Meersbergen, LEOZ (2012); Van Meersbergen (2019); Van Meersbergen & Ketelaar, 2020.

Toelichting: Dit hulpmiddel richt volledig op dat wat de leraar nodig heeft om af te stemmen op de algemene en specifieke onderwijsbehoeften van de leerling(en). Het is het parallelle spoor voor leraren van de erkende onderwijsbehoeften van hun leerlingen. Dat tweede spoor komt tot stand door zelfinzicht, evaluatie van eigen handelen en kritische zelfreflectie. Schön (1983) sprak over de reflectieve professional,  Kelchtermans over professioneel zelf-verstaan (1994) en Biesta (2015) vraagt om meer pedagogiek in de schoolklas. Naast professionele en persoonlijke zelfkennis is zin hebben om andere interventies dan gebruikelijk in te zetten belangrijk. Ook de gegeven schoolsituatie, faciliteiten en teamopbouw, methoden, visie op onderwijs of juist een gebrek daaraan kunnen een rol spelen bij formuleren ondersteuningsbehoeften van de leraar. Ook hele schoolteams kunnen een ondersteuningsbehoefte formuleren op gebied van materialen, coaching, visieontwikkeling, pedagogisch-didactisch deskundigheidsbevordering.

Verwijzing naar hoofdstukken: 3.3, 3.6, 4.4, 4.5, 5.3, 5.4, 5.5, 5.6.

Gebruiksaanwijzing: Individueel of met (bouw)team invullen formulier met daarop voorbeeld  hulpzinnen. Ook is er gelegenheid  om zelf andere hulpzinnen in te voegen. Daarna reflecteren persoonlijk en overwegen waar actie of ondersteuning wenselijk is. Eventueel de eigen analyse, zelfreflectie, bevindingen en voorstel tot actie, ontwikkelingswensen uitwisselen met collega of begeleider /coach of in het teamoverleg.

Dit hulpmiddel werkt goed in combinatie met hulpmiddel A.7 (afstemming individueel) en C.6 (afstemming schoolontwikkeling).


Ga naar het document.